Lieve Reader,
De broeierige warmte van de afgelopen weken brengt me terug naar mijn tienerjaren.
Toen het leven nog een belofte was.
Op de fiets, door de hitte, met een plunjezak gevuld met een handdoek, zonnebrandcrème en een anderhalveliterfles cola gevuld met kraanwater.
Naar de kleine meertjes langs de IJssel. Omdat ze altijd in contact stonden met de rivier, was er weinig kans op blauwalg. Maar omdat het zoveel inhammen waren, waren er ook veel stranden.
Iedereen wist van elkaar dat daar gezwommen werd. Maar op welk strand lag zij? En waar waren zij? En hun?
Op het strand liggen met een groepje was ook zien waar je mogelijke toekomst lag.
Bij de bomen in de schaduw waren de gasten die al scooters hadden en rookten en van die grote soundblasters hadden.
Een stukje verder waren de nog oudere tieners. Die waren met de auto gekomen. Waardoor ze koelboxen gevuld met bier hadden en ook parasols en wiet.
Er waren ook gezinnen en zo, maar daar ging mijn oog nooit naartoe.
Elk strandje had zo zijn voordelen.
- Bij één strandje kon je naar een eiland toezwemmen. Ver, maar net niet ver genoeg om overvallen te worden door kramp.
- Bij een ander strand had je openbare toiletten en een ijscowagen en ook het naaktstrand. Om stiekem naar te gluren, naar al die verschillende lijven.
- Er was een strandje bij een camping. Wat betekende dat er meiden rondliepen die je nog nooit had gezien, maar waar je wel graag naar wilde blijven kijken.
- Ook was er een strandje naast de zandafgravingen. Wat iedereen deed, was op die machines klimmen en dan in het water springen. Dat was uiteraard niet de bedoeling, maar wie hield ons tegen, de waterpolitie?
Het waren de zomers waarin het niet heel veel dagen achter elkaar echt zwemweer was. Dus als het kon, was iedereen van het dorp daar.
Ik moest kiezen met welke vriendengroep ik meeging. Bij de ene waren het alleen maar jongens. Bij de andere ook veel meiden uit lagere klassen.
Er was altijd in mij de hoop dat die dagen in iets magisch eindigden. Iemands handje vasthouden. Of doorfietsen naar een bbq of feest.
De realiteit was dat we vaak met z’n allen afsloten bij McDonald’s naast de snelweg.
Maar toch.
Die zomerse dagen voelde ik me levendig.
Er waren zorgen, maar niet veel.
Nu wel.
De zomers voelen niet meer zorgeloos. Ik probeer de nieuwsberichten te negeren, maar ik zie de droogte overal.
Er zijn te veel blauwe enveloppen op de mat gekomen. Er zijn zorgen om vrienden en familieleden.
Het strand is niet alleen maar strand.
Het is zand. Overal zand. Dat overal in en tussen gaat zitten. En op onverwachte momenten een plekje in mijn huis vindt.
Sinds wanneer ben ik zo’n zeur geworden?
Waar ik naar verlang, is een kop koffie, kwijtschelding van de Belastingdienst, een zorgeloos all-inclusivehotel in Griekenland en een hut in het bos. Wat ik heb, is mijn zonnebril op sterkte, een pet en pen met papier. En de melancholie. Altijd de melancholie.
Op zoek naar een zomers gevoel dat niet meer bestaat.
liefs!
tomson
PS
Ik zit deze zomer volledig in de (auto)biografieën. Camus. Prince. Oliver Sacks. Craig Mod.
Wat voor type boeken lees jij nu?